Hij wachtte op Kees.
De medewerkers snapten het niet. Welke Kees? Er was geen Kees op de afdeling. Er werd navraag gedaan. Rondgevraagd.
Tot iemand doorvroeg. De achternaam van Kees was Manager.
Meneer wachtte op zijn casemanager.
Een PIW’er vertelde me dit verhaal. Hij vond het zelf komisch. Want het was hij zelf die doorvroeg en erachter kwam dat meneer wachtte op zijn casemanager. En ik moest er ook om lachen.
Maar daarna bleef ik stilstaan bij wat er achter dat verhaal zit.
Een man die een systeem moest navigeren in een taal die niet de zijne was. Die niet de woorden had om te zeggen wat hij nodig had. Die afhankelijk was van mensen die hem begrepen, terwijl hij zichzelf nog niet eens goed kon uitleggen.
In de hulpverlening praten we veel over communicatie. Over motiverende gespreksvoering, over de juiste bejegening, over aansluiten bij de cliënt.
Maar hoe sluit je aan bij iemand die niet de taal heeft om jou te vertellen waar hij staat?
Taal is niet alleen een middel om je uit te drukken. Het is ook een middel om begrepen te worden. En als je dat middel niet hebt, ben je overgeleverd aan anderen.
Kees bestond. Maar Kees was niet wie meneer bedoelde.
Hoeveel Keezen lopen er nog rond in onze systemen?
Geschreven vanuit de praktijk, voor de praktijk.